Voorproefje: Gerechtigheid – Mark van Dijk

Als klein meisje woonde ik met mijn ouders en Kirsten in de Colijnstraat, op de bovenste verdieping in een van de drie torenflats die onze kustgemeente rijk is. Het klinkt misschien niet als veel, maar vanuit de woonkamer hadden we een grandioos uitzicht over de uitwatering, het strand en de duinen.
Zo fris als het uitzicht was, zo vermoeid zag ons interieur er uit. Het bankstel stond al zo lang op zijn vertrouwde plek, dat de loop in de verschoten vloerbedekking bijna tot p het beton was ingesleten. Het bijna tot op de draad versleten bankstel en het formica eettafelblad stonden in schril contrast met elkaar. Het was een samenraapsel waar ze zelfs bij de kringloop hun neus voor zouden ophalen, maar wij noemden het thuis.
Iedere ochtend hadden we hetzelfde ritueel; Kirsten en ik wachtten aan de eettafel, terwijl mijn moeder ons brood smeerde en voor zichzelf thee inschonk. Naast ons zat mijn vader voorovergebogen over een regionaal krantje en nipte van zijn tweede biertje, want: “Koffie is voor homo’s!” Van beroep was hij lasser

in een aluminiumfabriek en hij begon op dezelfde tijd als wij. Als ik aan mijn vader denk, zie ik eigenlijk als eerste zijn vlassige snor voor me. De talloze keren dat hij met rooddoorlopen ogen en enorme wallen tegen me stond te schreeuwen, kon ik als kind eigenlijk alleen maar naar die dansende wenkbrauw onder zijn neus kijken. Het ding zat vol opgedroogde stukjes en om mezelf een houding te geven tijdens zijn scheldkanonnade, piekerde ik me ondertussen suf op de vraag wat al die verschillende kleuren toch geweest konden zijn, die nu nog het meest op opgedroogd braaksel leken. Godzijdank was het bij mij en mijn zusje niet de gewoonte om mijn vader een zoen te geven als we ‘s avonds naar bed gingen.
De allereerste keer dat ik in hem het monster zag dat al die tijd op de loer had gelegen en steeds geduldig had gewacht, was toen ik een jaar of vijf was. Die nacht kan ik nooit meer vergeten.
Ik lag te slapen en werd wakker van de druk op mijn blaas. Ik moest plassen, maar ik was al aan de late kant. Met een pijnlijke buik gleed ik voorzichtig uit bed en sloop zo zachtjes mogelijk naar de slaapkamerdeur.
Het toilet lag aan het eind van de gang, één deur naast mijn slaapkamer. Een afstand van niets en ik had het bijna gehaald, mijn hand lag zelfs al op de deurkruk, toen ik vanuit de woonkamer gestommel hoorde.
Ik draaide me verbaasd om. Mijn vader kwam op me aflopen.
Ik kan me niet herinneren dat er voor die dag al eens iets was voorgevallen, behalve dan dat hij nooit echt vriendelijk of lief voor me geweest is. Voor mijn zusje trouwens ook niet, maar daar kom ik straks op.
Er was iets met de manier waarop hij naar me keek. Een half jaar later kende ik zijn dronkenmansgezicht als geen ander, maar die nacht zag ik mijn vader voor het eerst als het monster dat hij was. Zijn ogen stonden glazig in zijn rood aangelopen hoofd en hij keek me niet recht aan. Bovendien hing er een vreemde, zure lucht om hem heen.
Vanuit het niets begon hij tegen me te vloeken en beet me toe dat ik ‘s nachts op mijn nest moest blijven liggen. Hij wilde weten waar ik het gore lef vandaan haalde om zijn gezag te ondermijnen.
Ik had geen idee waar hij het over had en moest inmiddels echt héél nodig plassen. Dus ik draaide me om en opende de deur van het toilet. Op datzelfde moment voelde ik een brandende pijn in mijn zij en ik vloog met een smak tegen de muur. Te geschrokken om te huilen keek ik naar mijn vader, misschien wist hij wat er zojuist was gebeurd.
Zijn gezicht stond verbeten en hij schopte me opnieuw in mijn zij. Deze tweede trap deed zoveel pijn, dat ik mijn hoge nood niet langer meer kon ophouden en ik liet mijn plas lopen. Terwijl de natte plek zich langzaam aftekende en de urine langs mijn benen op de grond druppelde, werden zijn bloeddoorlopen ogen groot van ontzetting. Hij greep me in mijn nek en smeet me door de gang naar de woonkamer. Ik smakte met mijn hoofd tegen de muur en schaafde mijn knie, dwars door de dunne pyjamastof. Ook mijn gezicht en knokkels gleden langs de muur, waarbij de korrelpleister op de wand als schuurpapier werkte en diepe krassen maakte. Ik was bij de tweede trap al begonnen met huilen, maar hierdoor begon ik pas echt te krijsen van de pijn. Mijn vader noemde me een smerig kind en vroeg waarom ik niet meteen het hele huis onder piste.
Door alle tumult was mijn moeder wakker geworden en haastte zich de slaapkamer uit. Aan niemand in het bijzonder vroeg ze wat er in hemelsnaam aan de hand was. Voor mijn vader waren deze woorden genoeg om opnieuw door het lint te gaan. Ik stond erbij en zag hoe hij mijn moeder aanviel en aftuigde. Hij werd gek, ik kan het niet anders zeggen. Slaan, schoppen, spugen, bijten, hij krabde zelfs. Met zijn vuisten bewerkte hij haar lichaam alsof ze van papier-maché was. Het was de eerste keer dat ik mijn moeder heb zien huilen. Het was ook de laatste keer dat mijn moeder zich ermee bemoeide.
Na deze keer durfde ik ‘s nachts mijn bed niet meer uit. Ook niet om te plassen. Het is gênant om te bekennen, maar ik heb tot mijn twaalfde in nat beddengoed geslapen. Ik was zo bang dat ik weer een pak rammel zou krijgen als ik eruit zou komen, dat ik daarom maar lag te wachten tot ik het echt niet meer hield, om vervolgens in de nattigheid weer in slaap te vallen. Afgezien van het feit dat het gewoon een onfrisse situatie was, was het ook nog eens ronduit armoe. Zeker in de winter, wanneer het in mijn slaapkamer praktisch vroor. Maar dat was altijd nog minder erg dan weer zo vreselijk in elkaar geslagen te worden. Nadat mijn vader een aantal keren iets over dat bedplassen had gezegd (hij dreigde er anders zelf iets aan te doen), hebben we een po geprobeerd. Maar dat was niet de oplossing die mijn vader voor ogen had. Nadat ik de gevulde po een keer ’s ochtends naar mijn hoofd had gekregen, waardoor mijn slaapkamer drie weken lang naar urine stonk, begon mijn moeder het natte laken en de matrashoes maar te verstoppen, om verdere onrust in het gezin te voorkomen en waste deze wanneer hij naar zijn werk was.
Achteraf bekeken viel het die ene avond nog wel mee. Zó dronken was hij toen ook weer niet. We hebben hem naderhand wel erger meegemaakt. Veel erger.

Advertisements